|
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen |
|
|
Artikel 1Dit reglement verstaat onder a. de wet: de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek afgekort WHW (Stb 1992, 593) in werking getreden op 1 september 1993, onder meer gewijzigd bij wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (Stb 1997, 117) in werking getreden op 19 maart 1997, en bij de Wet van 6 juni 2002 (Stb 2002, 303) in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs; b. de Awb: de algemene wet bestuursrecht, afgekort AWB (stb 1994, 1) in werking getreden op 1 januari 1994; c. universiteit: de Universiteit Maastricht; d. faculteit: de faculteit van de universiteit, op het terrein waarvan het onderwerp van de promotie ligt als bedoeld in artikel 18, eerste lid annex artikel 22, eerste lid; e. Decaan: de Decaan van de faculteit; f. het College van Decanen: het college van promoties als bedoeld in artikel 9.10 lid 1 van de wet; g. de Rector Magnificus: de functionaris als bedoeld in art 9.3 lid 1 van de wet, tevens de voorzitter van het College van Decanen; h. hoogleraar: een hoogleraar, bijzonder hoogleraar dan wel kerkelijk hoogleraar aan een universiteit; i. opleiding: een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a van de wet en een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de wet, voor zover aan de opleiding op grond van de wet accreditatie is verleend; j. promovendus: degene die krachtens artikel 7.18 lid 2 of 3 van de wet toegang heeft tot de promotie en die als zodanig door het College van Decanen is toegelaten tot de voorbereiding van de promotie. k. promotor: de als zodanig krachtens artikel 7.18 lid 4 van de wet door het College van Decanen aangewezen hoogleraar; l. copromotor: degene die door het College van Decanen is aangewezen om de promotor bij te staan in de begeleiding van de promovendus; m. beoordelingscommissie: de door het College van Decanen ingestelde commissie die beslist of de promovendus een dusdanige proeve van bekwaamheid heeft afgelegd dat hij tot de promotie kan worden toegelaten; n. promotiecommissie: de commissie ten overstaan waarvan de promotie kan plaatsvinden; o. proefschrift: de wetenschappelijke verhandeling in boek-, artikel- of electronische vorm of een proefontwerp als bedoeld in artikel 7.18 lid 2 sub b van de wet; p. promotie: de openbare verdediging van het proefschrift op grond waarvan de graad Doctor kan worden verworven; q. promotieonderzoek: het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het proefschrift.
Artikel 21. Tot de promotie heeft toegang ieder: a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid van de wet, de graad Master is verleend; b. die als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en c. die heeft voldaan aan de overige bij of krachtens dit reglement gestelde eisen. 2. In bijzondere gevallen kan het College van Decanen een persoon die niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid onder a, maar op andere wijze blijk geeft of blijk heeft gegeven over voldoende kennis te beschikken, op diens gemotiveerd verzoek toegang tot de promotie verlenen. Het verzoek wordt, te zamen met een aanbeveling van een hoogleraar van de universiteit, ingediend bij het College van Decanen. Het College van Decanen hoort alvorens te beslissen de Decaan van de desbetreffende faculteit en kan zich nader doen informeren over het niveau van de opleidingen en de waarde van de getuigschriften van de verzoeker. 3. Degene die reeds de graad doctor (of een equivalent daarvan, waaronder de graad Ph.D.) heeft behaald kan niet tot de promotie aan de universiteit worden toegelaten. Van deze bepaling kan het College van Decanen ontheffing verlenen, indien betrokkene wenst te promoveren op basis van een onderzoek verricht in een ander wetenschapsgebied dan dat van het eerdere promotieonderzoek.
Artikel 31. Waar in dit reglement wordt gesproken over promotor of copromotor moet in de gevallen dat er meer dan één aanwijzing heeft plaatsgevonden worden gelezen promotoren, onderscheidenlijk copromotoren. 2. Indien de Rector Magnificus als promotor is aangewezen of deel uitmaakt van de beoordelingscommissie, worden zijn/haar taken en bevoegdheden als voorzitter van de promotiecommissie waargenomen door een daartoe door hem/haar aangewezen oud-rector, Decaan of oud-Decaan. 3. Met betrekking tot het besprokene tijdens bijeenkomsten van de beoordelingscommissie, tijdens het besloten beraad van de promotiecommissie en tijdens bijeenkomsten van de adviescommissie bedoeld in artikel 39, tweede lid, zijn de aanwezigen tot geheimhouding verplicht.
|